Geofysische bodemsensoren
voor archeologische prospectie

Vormende waarde

Bodems vervullen een belangrijke rol bij de bescherming van ons cultureel erfgoed. De meeste sporen van vroegere culturele activiteit bevinden zich immers vrij ondiep, vaak net onder de ploeglaag.

In Vlaanderen en Nederland is een archeologische evaluatie dan ook een vereist onderdeel van het vergunningsbeleid met betrekking tot ingrepen in de bodem. Dit kadert in de Europese conventie voor de bescherming van het cultureel bodemerfgoed, het zogenaamde Verdrag van Malta. De implementatie hiervan resulteert vaak in het uitvoeren van archeologisch terreinonderzoek. Zoals beschreven in dit verdrag dient dit, waar mogelijk, op een niet-destructieve wijze te gebeuren (artikel 3): "... provided that non-destructive methods of investigation are applied wherever possible". Maar meestal gebeurt dit terreinonderzoek met behulp van boringen of graafwerken (proefsleuven). Dit zijn intensieve ingrepen in de bodem die slechts gedeeltelijk gebiedsdekkende informatie opleveren. Vandaar dat steeds meer naar snellere, niet-destructieve en vlakdekkende alternatieven wordt uitgekeken. In het bijzonder in het kader van de bescherming en kartering van niet-bedreigde archeologische sites, stijgt het belang van niet-destructieve prospectietechnieken.

Geofysische bodemsensoren zijn toestellen die op of net boven het bodemoppervlak ingezet worden om fysische kenmerken (elektrische, elektromagnetische, magnetische) van de bodem te bepalen. Deze worden gebruikt om variaties in de bodemsamenstelling te karakteriseren en in kaart te brengen. Dergelijke bodemsensoren zijn niet-destructief, en meestal ook niet-invasief, waardoor ze zich zeer goed lenen voor archeologisch onderzoek. Enerzijds om de aanwezigheid van archeologische sporen te bepalen, anderzijds om gekende archeologische sites gedetailleerd in kaart te brengen zonder deze te verstoren. Daar waar deze sensoren vroeger vooral manueel gebruikt werden, laten de nieuwste generaties toe om mobiel en gecombineerd te werken. Hierdoor kunnen grote oppervlakken snel en aan een hoge resolutie worden gekarteerd, wat een belangrijke efficiëntiewinst betekent.

Het doel van deze opleiding is een overzicht te geven van de principes van geofysische prospectie en de meest recente evoluties van verschillende geofysische bodemsensoren. Hierbij zullen eerst de principes van bodeminventarisatietechnieken en de verwerking van ruimtelijke data besproken worden. Vervolgens worden drie geofysische surveytechnieken die vaak gebruikt worden in de archeologie toegelicht, elk via een afzonderlijke les: magnetometrie, grondradar (GPR) en elektromagnetische inductie (EMI). Hierbij wordt ingegaan op de theoretische concepten, het beschikbare instrumentarium en worden de sterkten en beperkingen van elke techniek geanalyseerd. Deze besprekingen worden aangevuld met tal van praktijkvoorbeelden.
De laatste les vertrekt van de huidige state-of-the-art rond archeologisch geofysisch onderzoek op een landschappelijke schaal en werpt een blik naar de toekomst, waarbij de bescherming en kartering van Europese top-sites, zoals Stonehenge (Verenigd Koninkrijk) en Carnuntum (Oostenrijk) als voorbeeld zullen gebruikt worden. Een velddemonstratie van de besproken toestellen en aansluitende PC-oefeningen rond gegevensverwerking van geofysische metingen vervolledigen tenslotte de cursus.

Als overkoepelende referentie wordt het handboek "Revealing the buried past, Geophysics for archaeologists" door Chris Gaffney & John Gater (2003) voorzien.